11 juni 2026
Bodem, water en klimaat vragen om een andere manier van adviseren
De opgaven in de landbouw worden steeds complexer. Bodemkwaliteit, waterkwaliteit en klimaatdoelen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vragen om integrale keuzes op perceelsniveau. Voor agrarisch adviseurs betekent dit dat hun rol verandert. Volgens Gera van Os, lector Duurzaam Bodembeheer bij Aeres Hogeschool, vraagt dat om een andere manier van adviseren en een andere manier van leren.

De opgaven in de landbouw worden steeds complexer. Bodemkwaliteit, waterkwaliteit en klimaatdoelen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vragen om integrale keuzes op perceelsniveau. Voor agrarisch adviseurs betekent dit dat hun rol verandert. Volgens Gera van Os, lector Duurzaam Bodembeheer bij Aeres Hogeschool, vraagt dat om een andere manier van adviseren en een andere manier van leren.
Als lector staat Van Os aan het hoofd van een onderzoeksgroep die werkt aan praktijkgerichte vraagstukken rond bodem. Die functie is binnen het hbo geïntroduceerd om onderwijs, onderzoek en praktijk beter met elkaar te verbinden. “Ontwikkelingen in de landbouw gaan snel. Tegelijkertijd grijpen thema’s als bodem, water en klimaat steeds sterker op elkaar in. Je kunt ze niet meer los van elkaar benaderen.”
Dat maakt adviseren complexer. “Wat goed is voor koolstofvastlegging, kan spanning geven met waterkwaliteit. En maatregelen die op het ene perceel werken, kunnen op een ander perceel juist problemen veroorzaken. Dat vraagt om maatwerk, niet om eenduidige oplossingen.”
Volgens Van Os is actuele inhoudelijke kennis alleen niet voldoende. “De omgeving verandert snel. Belangrijker is dat adviseurs een onderzoekende houding ontwikkelen: wat gebeurt er om mij heen, welke informatie is betrouwbaar en wat betekent dit voor deze specifieke situatie?”
Die houding vraagt andere vaardigheden dan vroeger. “Adviseren gaat steeds meer over interpreteren, communiceren en samenwerken. Je hebt te maken met meerdere erfbetreders, ketenpartijen en beleidskaders. Dat betekent dat je als adviseur het overzicht moet houden, afwegen en keuzes moet kunnen onderbouwen.”
Bodem is volgens Van Os bij uitstek een onderwerp waarbij integraliteit noodzakelijk is. “Bodembeheer heeft invloed op opbrengst, waterkwaliteit, biodiversiteit en klimaat. Dat betekent dat je voortdurend voor- en nadelen tegen elkaar moet afwegen.”
Niet elke adviseur hoeft daarbij dezelfde rol te vervullen. “Je hebt verschillende typen mensen. Sommigen zijn sterk in detailkennis van één aspect, anderen juist in het overzien van het geheel en het combineren van verschillende aspecten. Beide zijn relevant, maar ze vragen om verschillende typen scholing.”
Binnen het NPL hebben sectororganisaties en toeleveranciers aangegeven dat er opleidingen nodig zijn voor verschillende doelgroepen, passend bij hun eigen rol en mogelijkheden (zie tabel). “Niet iedereen kan of hoeft bodemexpert te worden. Maar iedereen die op het erf adviseert, moet wel begrijpen hoe bodem, water en klimaat met elkaar samenhangen.”
Tabel: Overzicht van opleidingen met bijbehorende specificaties en competenties.

Om de gewenste bijscholing daadwerkelijk van de grond te krijgen, is de afgelopen jaren gewerkt aan een landelijk opleidingsprogramma. Van Os heeft daarin een trekkende rol gespeeld. “Toen het landbouwakkoord vastliep en de maatschappij verder polariseerde, ben ik i.s.m. het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) doorgegaan met het ontwikkelen van de opleidingen. Als de sector eraan toe is, moet er iets liggen.”
Dat heeft geresulteerd in een samenhangend cursusprogramma dat wordt verzorgd vanuit de groene onderwijsinstellingen. Daarmee zijn de onafhankelijkheid, actualiteit en de inhoudelijke en didactische kwaliteit geborgd en is een landelijke dekking mogelijk. Recent kreeg dit programma een meerjarige subsidie van het ministerie van LVVN, waardoor het tot 2030 kan worden uitgevoerd. “Dankzij die subsidie kunnen jaarlijks meerdere groepen worden opgeleid, met financiële ondersteuning voor de deelnemers.”
Het programma richt zich op verschillende doelgroepen: boeren, erfbetreders en gespecialiseerde adviseurs. “Het doel is niet alleen kennis overdragen en uitwisselen, maar ook een gezamenlijke taal ontwikkelen en een netwerk om mee te sparren.”
Opvallend is dat bij de opleiding voor erfbetreders en bodemadviseurs bewust is gekozen voor een mix van wel en niet productgebonden adviseurs. “In de praktijk komen zij elkaar ook tegen. Als je tegenstrijdige adviezen op het erf wilt voorkomen, dan helpt het als iedereen dezelfde basiskennis heeft.”
Volgens Van Os blijkt in de praktijk dat de kwaliteit van een adviseur niet zozeer samenhangt met diens werkgever. “Het gaat om de persoon, om de houding. Door samen te leren, ontstaat meer begrip en wordt het makkelijker om elkaar te raadplegen.”
De ontwikkelde cursussen hebben ook effect binnen het reguliere onderwijs. Docenten die betrokken zijn bij bijscholingstrajecten en onderzoek van het lectoraat, nemen zelf die kennis weer mee in de opleiding van studenten. “Zo zie je dat inzichten uit onderzoek en praktijk uiteindelijk ook het opleidingsniveau van toekomstige adviseurs en ondernemers verhogen.”
De verankering van het opleidingsprogramma in het groen onderwijs maakt het toegankelijk, transparant en toetsbaar. Het sluit goed aan en is afgestemd met bestaande organisatiestructuren in de agrarische sector voor bijscholing en advies. Dit biedt een solide basis. “Het gaat erom dat adviseurs en boeren uiteindelijk beter zijn toegerust om in te spelen op een veranderende omgeving en om te gaan met de samenhang tussen bodem, water en klimaat.”
Als kennis, praktijk en scholing beter op elkaar aansluiten, profiteert de hele sector. “Boeren krijgen consistenter en beter onderbouwd advies. Adviseurs staan sterker in hun rol. En beleidsdoelen landen effectiever in de praktijk.”
“Bodem, water en klimaat vragen om een andere manier van adviseren,” concludeert Van Os. “Daar hoort blijvend leren bij.”